zoeken X

Bam! Dat is effectieve zorg

Lucy Smit, jeugdarts bij JGZ Kennemerland, en Myrthe Erps, orthopedagoog-generalist bij CJG Apeldoorn, in gesprek over hun werk en hun beroepsvereniging.

Lucy Smit werkt op een consultatiebureau en ziet kinderen van 0 - 4 jaar en hun ouders. Het zijn vooral gezinnen waar niets mee aan de hand is. Myrthe Erps ziet jeugdigen en gezinnen met een ondersteuningsbehoefte. Samen praten ze over met wie ze samenwerken en hoe dat georganiseerd is, over de meerwaarde van beroepsverenigingen en waarom lid zijn ook samenhangt met normen en waarden.

Myrthe: “Ik doe bijna niet anders dan samenwerking en verbinding zoeken met ouders, kinderen, collega’s, aanbieders, het voorliggend veld, sociale wijkteams, kinderartsen, jeugdartsen, jeugdbescherming, alles eigenlijk. Ik denk dat mijn werk voor wel 80-90% uit samenwerken bestaat.”
Lucy: “Dat is bij mij wel anders, in 85% van de casussen heb ik geen samenwerking nodig, daar gaat het gelukkig gewoon goed, dus ik ben minder vaak met samenwerking bezig. Nu hebben wij wel, en dat is vrij bijzonder, een orthopedagoog in dienst. De jeugdverpleegkundige en ik houden spreekuur, bespreken de kinderen en als er bijvoorbeeld op gedrag meer nodig is, dan komt gelijk de orthopedagoog erbij en maken we samen een plan. We hebben geen vast groepje mensen dat over de zorgkinderen praat. Dat willen we niet. Dan praten mensen over kinderen die ze zelf niet zien. Wat we wel doen, is de ouders en de betrokken hulpverleners uitnodigen.”
Myrthe: “Zo’n vast cliëntoverleg hebben wij ook niet. Wij zitten met de jeugd- en gezinswerkers, orthopedagogen, het consultatiebureau, de jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen in één pand. Daardoor zijn die lijnen heel kort. Als we een cliënt hebben waar zorgen over zijn, kun je letterlijk bij de deur naast je aankloppen, mits daar natuurlijk toestemming voor is van de cliënt. Daardoor kun je sneller passende zorg inzetten en voorkomen dat problemen verder oplopen. Daarnaast hebben we ook casuïstiekbesprekingen. Afstemmen over passende zorg doe je door elkaar te bevragen en scherp te houden, dat je bijvoorbeeld niet te snel opschaalt en goed aan het voorliggend veld blijft denken, want daar is ook veel te halen.”
Lucy: “Die casuïstiekbesprekingen en intervisie zijn ook goede momenten om te werken aan onze aanspreekcultuur. In de zorg is dat niet altijd even makkelijk, we moeten leren om dat steeds beter te doen. Net als bij de feiten blijven, geen interpretaties, dat is ook een lastige, maar zeer noodzakelijk; we zijn niet altijd zakelijk genoeg in de zorg. En goed samenwerken is en blijft lastig. Zeker als je gaat samenwerken met mensen waar je niets van weet. Hoe kun je dan hun informatie op waarde schatten? Dat vertrouwen moet groeien, dat heeft tijd nodig.”

Mooie ontwikkelingen

Myrthe: “Samenwerken levert wel hele mooie dingen op. Ik heb bijvoorbeeld pas een multidisciplinair overleg georganiseerd rondom een jongere met psychische en fysieke klachten, die niet naar school ging. Alle betrokken professionals, de jongere en zijn ouders waren daarbij aanwezig. Door bij elkaar te zitten, is er een duidelijk plan van aanpak gekomen. Ik weet nog niet hoe succesvol het verhaal uiteindelijk gaat worden, maar het voelde wel voor iedereen als: hè, hè, eindelijk zitten we met z’n allen om tafel en maken we een gezamenlijk plan waarin alle aspecten aan bod komen. Dat zou vaker moeten gebeuren. Als je met z’n allen bij elkaar zit, word je gedwongen ervoor te zorgen dat, voor je het overleg afrondt, alle neuzen dezelfde kant op staan. Om alle betrokkenen tegelijk aan tafel te krijgen kost tijd, maar uiteindelijk is het veel effectiever dan dat je tientallen mailtjes heen en weer stuurt. In zo’n overleg heb je direct duidelijkheid. Bam! Dat is effectieve zorg.….. Ik bedenk nu dat in deze casus ook de jeugdarts nog aan had kunnen sluiten en in ieder geval nog geïnformeerd moet worden.”
Lucy: “Heel goed! En er zijn meer van dit soort mooie voorbeelden. In de Gooi- en Vechtstreek is er een consultatie- en adviesteam speciaal om huisartsen en kinderartsen te woord te staan.”
Myrthe: “Vanuit het medische stuk?” Lucy: “Nee, echt breed, dus psycholoog, orthopedagoog en jeugdarts bij elkaar. Huisartsen zijn nogal geneigd om gelijk naar de geïndiceerde zorg te verwijzen en dat mogen ze ook. Maar ze kennen niet de hele sociale kaart; die is ook gigantisch, die kan bijna niet in je telefoon. Dus er is een speciaal team ingezet en daar kunnen ze heel vaak al meteen afschalen.”


Myrthe: “Mooi dat je dat noemt. Dat is ook de reden waarom wij met spreekuren bij huisartsen zitten; daar maken we de verbinding met ze. We sturen er erg op aan dat huisartsen ons gebruiken om passende zorg te indiceren.”
Lucy: “Dat is een mooie ontwikkeling. Zoiets hebben wij ook. Een orthopedagoog doet als praktijkondersteuner bij een huisartsenpraktijk de ondersteuning van jeugdigen. Zo wordt de verbinding gemaakt en voorkomen dat te snel wordt opgeschaald.”
Myrthe: “Precies wat je zegt, anders wordt veel sneller een zwaardere zorgvorm gekozen, terwijl dat zeker niet altijd nodig is. En zo wel, dan zijn er vaak tien aanbieders in plaats van die ene die de huisarts goed kent. Ik merk dat huisartsen deze manier van samenwerken ook heel prettig vinden, dat ze steeds makkelijker binnenlopen om even te overleggen.”

Lid van een beroepsvereniging? Dat hoort zo!

Myrthe: “Ik sta ingeschreven bij SKJ, de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, en ik ben lid van de beroepsvereniging NVO. Lid zijn van een beroepsvereniging is belangrijk om up-to-date te blijven over nieuwe kennisontwikkeling en het geeft een stuk kwaliteit weer. Daarnaast is het een plek waar je beroepsethische of juridische vragen kunt stellen die je in je werk tegenkomt.”
Lucy: “Ik ben van meerdere beroepsverenigingen lid: AJN, LAD en automatisch van de KNMG. Bij AJN heb ik in het landelijk bestuur gezeten, vier jaar als secretaris en twee jaar als voorzitter. Nu zit ik nog in het communicatieteam en in de raad van advies. Ben jij actief binnen NVO?”
Myrthe: “Nee, maar wie weet komt dat nog. Waarom ben je lid?”
Lucy: “Ik vind dat dat zo hoort. Als je samen optrekt, kun je echt belangen behartigen. Hoe groter de vereniging hoe meer vuist je kunt maken. Het is heel jammer dat er ook mensen zijn die geen lid zijn. Ik merk dat bij jou ook is ingelepeld dat het zo hoort.”
Myrthe: “Ja. Naast dat je er veel kunt halen, is het ook gewoon logisch dat je onderdeel bent van een bredere groep die hetzelfde najaagt.”
Lucy: “Precies. Ze vertegenwoordigen je op allerlei plekken bij het ministerie, diverse overleggen, bij het maken van richtlijnen. Dat wordt allemaal vanuit de beroepsvereniging georganiseerd. Die wordt daarvoor gevraagd. Stel er worden richtlijnen gemaakt over gedrag en daarin wordt gezegd dat de jeugdarts dit en dat moet doen, maar bij het maken van de richtlijn is geen jeugdarts betrokken geweest. Dat wil ik niet, dat vind ik raar. Er zijn maar weinig mensen die precies weten hoe het in de jeugdgezondheidszorg toegaat, hoe dat georganiseerd is. Mensen die daar werken, weten het beste wat hun bijdrage kan zijn en niet een ander. Daarom vind ik het belangrijk dat ik word vertegenwoordigd door een beroepsvereniging.”

Professionals in jeugdhulp en jeugdbescherming maken het verschil voor kinderen, jongeren en gezinnen die hulp en ondersteuning nodig hebben. De beroepsverenigingen ondersteunen en stimuleren professionals hierbij. In het Programma PJ&J geven de beroepsverenigingen een stem aan professionals in het jeugddomein. Die stem maakt professionals zichtbaar en zorgt ervoor dat de beroepsverenigingen invloed uit kunnen oefenen op actuele landelijke ontwikkelingen. Daarmee behartigen zij de belangen van professionals. Met het versterken van vakmanschap van de beroepsgroepen investeren beroepsverenigingen in een goede kwaliteit van jeugdhulp.

Wil je meer informatie of lid worden van jouw beroepsvereniging? Klik dan op het logo

AJNBCMBBPSWBVJongNIPNVOvertrouwensartsenvvn 

Deel dit artikel